In mijn boek Hoofddoek of blinddoek uit 2009, schreef ik op pagina 92 de volgende passage:
Juli 2009. Dertig graden warm en bakkende zonneschijn. Het strand van Oostende ligt overvol zonnekloppers wiens hoogste vakantiegenot het is om een bruiner vel te hebben dan de buurman (-vrouw). Daartussen een familie uit Tsjetsjenië. De mannen in zwemslip en de vrouwen van kop tot teen zedig bedekt met woestijntextiel: lange mouwen, bloes gesloten in de nek en rokken tot op de grond. De boerkini, de islamitische garderobe voor zwemgenot is hier nog niet op de markt. Met dezelfde vestimentaire outfit wordt er liggend gebaad in de branding. De "Belle Epoque" van Leopold II terug in beeld. Alleen droegen de mannen toen ook een zedige Ensor-maillot, een gevangenisplunje met bermuda-bilsnit. Wufte deernes met kanten pofbroeken en dito mouwen mochten toen enkel pootjebaden in de zedige beschutting en schaduw van een aangerolde badkar. Bon chique, bon genre. Tsjetsjeense islamitische vrouwen hebben op 100 jaar tijd geen millimeter textiel of genot gewonnen. De westerse beschaving ligt plots een paar meter onder de zeespiegel, de emancipatie van de vrouw op de bodem van de oceaan. We kijken politiek correct weg. Godsdienstvrijheid primeert op vrouwenrechten. Tunnelvisie van cultuurrelativisten. Weinig moslima's kunnen zwemmen. Een levensgevaarlijk cultureel vooroordeel. Als je je identiteit laat afhangen van een lap stof, komen er vodden van.