‘Er is een chronisch gebrek aan waterbeleid’, schrijft Jean-Marie Dedecker.'
Afgelopen zomer was één van de mooiste en de warmste uit mijn zeventigjarig aards bestaan, samen met die van 1976 en 2003. Vanuit mijn stulpje in de Vlaamse polders riep het herinneringen op aan een landelijk ingetogen schilderijtje van zinderende hitte. Het Angelus, of de idyllische ogsters van Jean-François Millet. Ik kreeg het voor mijn neus op groot scherm, en genoot ervan met volle warme teugen.
Maar genot is des duivels in de klimaatkerk. We werden om de oren geslagen met hellevuur, hongersnoden en uitdroging. Wie dat voor het eerst hoort zou angsaanvallen kijgen, of zijn geest voelen uitdrogen door alle hellepreken van de klimaatprofeten.
Eventjes terugbladeren naar de Leeuwarder Courant van 28 juli 1846. Er reden toen nog geen hoestbuien op vier wielen, enkel paard en kar. Het was in de tijd dat kranten nog informatiedragers waren in plaats van herauten van de klimaatapocalyps.