Archief

maandag 22 juli 2013

De offshore windmolenparken zijn jackpotten voor de uitbaters, maar driearmige bandieten voor de verbruikers en de belastingbetalers.





Het Japanse Sumitomo wordt voor zo’n 100 miljoen euro hoofdaandeelhouder in twee van onze zeven offshore windenergieparken. Niet toevallig in Northwind en Belwind. Het zijn immers de jackpotten van de duurzame energie. Op de Lodewijkbank plant Northwind 72 turbines voor 216 megawatt. Dat is precies de capaciteitsgrens waarvoor groenestroomcertificaten vergoed worden tegen 107 euro per megawattuur. Daarboven is het 90 euro. Deze berekening werd uitgedokterd in 2005 door Johan Vande Lanotte als minister van de Noordzee en Marc Verwilghen als Minister van Energie. De verhoging van de prijs van de groenestroomcertificaten op dit moment was merkwaardig. In 2002 werd de prijs bepaald op 90 euro, in 2005 verhoogd tot 107 euro voor de eerste 216mw. Het VITO had in 2005 berekend dat de windenergie op zee een inkomen van 93 euro nodig had per megawattuur(MWH) om rendabel te worden. Dit noemt men de “onrendabele top” of de minimumprijs die nodig is om alternatieve energiebronnen aantrekkelijk te maken. Daarvan moet men eerlijkheidshalve nog de werkelijke elektriciteitsprijs ( 50 tot 60 euro MWH) aftrekken, want tegen deze prijs wordt de echte productie ook nog verkocht. Een verhoging was dus niet nodig.

Het ministerduo nam nog een belangrijke beslissing : de garantietijd voor de windboeren om deze certificaten te incasseren werd verdubbeld van 10 tot 20 jaar. In ruil daarvoor kreeg Verwilghen een stijging van het kortingsvoordeel voor bedrijven die jaarlijks meer dan 20.000 megawattuur verbruiken, de zogenaamde energie-intensieve bedrijven. Zo zou bijvoorbeeld een chemisch bedrijf dat 1,5 miljoen mwh(megawattuur) verbruikt ipv 2,6 miljoen euro nog amper 250.000 euro betalen. De politici waren tevreden met elk een electoraal tooltje, maar Jan met de pet, het modale gezin en de kleine KMO’s moeten de factuur van de windmolens op zee betalen. Bovendien hield men toen bewust of onbewust geen rekening met de stijging van de energiekost voor de overheid. Een studie van de High Level Group Chemie en Life Sciences, wees in 2009 uit dat bij een ongewijzigd subsidiebeleid Infrabel, beheerder van het Belgische spoorwegnet, in 2030 18 miljoen euro per jaar meer zou betalen op hun energiefactuur dan vandaag en dit enkel en alleen als gevolg van de kostprijs van de groenestroomcertificaten van de offshore windmolens. Jan modaal, de hardwerkende burger, betaalt nu tweemaal voor zijn deze groenestroomcertificaten, eenmaal via zijn elektriciteitsfactuur en nogmaals via de belastingen om de stijging van de elektriciteitsfactuur van de overheid te betalen. En dit terwijl de offshore windmolenbedrijven de windfallwinsten massaal op zak steken.
Win for life

Dus Northwind krijgt voor haar ganse elektriciteitsproductie gedurende 20 jaar een subsidie van 107 euro per megawattuur. Deze wordt dan door de netwerkbeheerder doorgerekend aan de verbruiker. Northwind werd – onder de naam Eldepasco – in december 2007 opgericht door Electrawinds, Depret , Aspiravi en wind energie power( groep Colruyt),  één week nadat Johan Vande Lanotte voorzitter van Electrawinds werd. Op 7 juni 2010 werd hij ook lid van de Raad van Bestuur van Northwind(Eldepasco) tot Electrawinds in februari 2011 al zijn aandelen verkocht aan de groep Colruyt.

Groenestroomcertificaten zijn dus werkelijk biljetten van win for life. Wat dit in werkelijkheid betekent, heeft Belwind al bewezen, het tweede koopje van Sumitomo. Met momenteel nog maar 55 windmolens draaide het in 2011 een omzet van 90.5 miljoen euro, 27.5 miljoen uit de verkoop van elektriciteit en 63 miljoen van groenestroomcertificaten! Het leverde een operationele winst op van 33,5 miljoen euro. De Japanners zijn meesters met de rekenmachine. Belwind mag haar park nog verdubbelen tot 110 windmolens van 330 MW. Kassa!

Volgens de CREG( de commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas) zullen de zeven geplande windmolenparken gemiddeld 300 megawatt groot zijn en elk meer dan 1 miljoen megawattuur produceren. Dit betekent voor elk park minimum 100 miljoen euro groenestroomscertificaten per jaar. Voor de volgende 20 jaar zal de rekening oplopen tot 15,7 MILJARD euro. De gemiddelde investeringskost in een offshore windmolenpark is 1 miljard euro en levert gegarandeerd 2 miljard euro groenestroomcertificaten op. De offshore windmolenparken zijn jackpotten voor de uitbaters, maar driearmige bandieten voor de verbruikers en de belastingbetalers.
Moderne piraterij met duurzame energie

Voor Belwind , Northwind, C-power is bovenstaand casino voor 2 decennia verworven. Voor de nieuwe realisaties wil minister Wathelet nu scherper aan de wind varen en de prijs van de groenestroomcertificaten koppelen aan de marktprijs van elektriciteit. De steun zou zakken, als de elektriciteitsprijs stijgt of omgekeerd, maar de onrendabele top stijgt ook naar 152 euro. Deze nieuwe berekening is gebaseerd op het zogenaamde Dralans – rapport van VOKA. Een rapport waar beschermengel van de offshore windenergie, Johan Vande Lanotte mee de pen hanteerde. Johan Vande Lanotte zetelde in de groep Dralans als vertegenwoordiger van BOP(Belgian Offshore Platform) die de belangen van de offshore windenergiebedrijven verdedigt.

De verbruiker blijft altijd de klos bij deze broekzak-vestzakoperatie. Hij betaalt minimum 152 per MWH of driemaal de huidige marktprijs. Ook CREG is van mening dat de steun aan de offshore windmolenparken nog zou stijgen in plaats van dalen. Moderne piraterij met duurzame energie.

Het afromen van de nucleaire taks voor het stimuleren van groene energie is eerder windowdressing dan economisch beleid. De nucleaire taks is de opbrengst van wat de verbruiker teveel betaalt aan Electrabel voor woekerwinsten met de afgeschreven kerncentrales. Deze taks moet doorgestort worden aan de verbruikers en niet aan de windboeren. Onze ganse energieproductie, van klassieke gas – en steenkoolcentrales tot kerncentrales, is in handen van buitenlandse monopolisten en conglomeraten die de prijs en het aanbod sturen volgens hun eigen dividendenlogica. Jarenlang mocht en mag Electrabel als melkkoe grazen op de Belgische weiden, maar werd en wordt gemolken in Frankrijk. De beloofde “Golden share” van Verhofstadt om de Belgische verankering bij SUEZ te garanderen blijkt achteraf gebakken lucht te zijn. Ik heb niets tegen de globalisering van de economie en de internationalisering van onze bedrijven – dit heet economisch liberalisme – maar de energiebevoorrading loopt door de slagaders van onze economie en van onze huishoudens en kan een infarct veroorzaken. Verankering en controle zijn dus een noodzaak.

Onze overgesubsidieerde offshore windenergie zal aan de verbruiker –belastingbetaler minimum 16 miljard euro extra kosten. Moeten we dan toelaten dat zeerovers onze schatkist leegeten omdat het met een groene saus overgoten is? Hebben we met Electrabel nog onze les niet geleerd?

 
Jean Marie Dedecker

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen